Onderstaand artikel heb ik geschreven op basis van een door mij gedaan taalkundig literatuuronderzoek naar de ontstaansgeschiedenis van het woord sprookje

Van veldslag tot Sneeuwwitje

De ontstaansgeschiedenis van het woord sprookje in zijn huidige betekenis.

Er was eens een verhalenverteller. Zij vertelde het liefste sprookjes en deed dit vol overgave. Ze was bekend met de archetypen die zo vaak in sprookjes voorkomen, kon de sprookjes symbolisch duiden en kon het publiek niet alleen versteld laten staan door haar vaardigheden als verteller, maar ook door haar kennis op dit vlak. Tot er op een dag een meisje naar de verhalenverteller toekwam en die ene vraag stelde: ‘Waarom heet een sprookje eigenlijk een sprookje?’ De verhalenverteller, anders zo welbespraakt, zweeg in onwetendheid.

Want ja, waar komt het woord sprookje, met de betekenis zoals wij die kennen, eigenlijk vandaan? 

Hier en nu

Om een goed antwoord te kunnen geven, bekijken we eerst welke definitie men tegenwoordig aan een sprookje verbindt. Het blijkt dat we de antwoorden die ik in gesprekken hierover kreeg kunnen samenvatten met een omschrijving die op woorden.org te vinden is: een sprookje is een “oud verhaal met personen en dingen die in het echte leven niet bestaan” (Sprookje, z.d.-a.).
Het Documentatiecentrum Volksverhalen heeft een uitgebreide uitleg waar een sprookje allemaal aan moet voldoen. Zij stellen dat een sprookje een traditioneel verhaal is dat onder andere de volgende kenmerken heeft: het speelt zich af op een onbekende plaats, in een onbekende, maar wel feodaal aandoende tijd. De held krijgt een probleem voorgeschoteld, dat hij naar volle tevredenheid weet op te lossen (Wat is een sprookje?, z.d.). Met Leesbeesten en boekenfeesten (Van Coillie, 2007) vullen we de definitie verder aan met nog een belangrijk kenmerk: de personages zijn vlak en maken geen persoonlijke ontwikkeling door.

De geboorte van een woord

De meeste mensen die ik sprak over mijn onderzoek, legden als vanzelf een link tussen woorden als spreken, spreuk en sprookje. Ook het Duitse woord Sprache werd regelmatig genoemd, wellicht omdat ik in de Achterhoek woon en er zodoende eerder gerefereerd wordt aan de taal van onze oosterburen.
Er blijkt inderdaad een verwantschap te bestaan tussen deze woorden. Nederlands en Duits, maar bijvoorbeeld ook Zweeds en Deens (waaruit bijvoorbeeld de woorden språk en sprog ons niet onbekend zullen aandoen) behoren tot de Indo-Europese taalfamilie en dan specifiek tot de Germaanse subgroep hiervan. Nederlands, Duits, Zweeds en Deens hebben een etymologische verwantschap: ze zijn ontstaan uit eenzelfde vooroudertaal. Door middel van comparatieve constructie is men in staat deze prototaal te reconstrueren. Uitspraakveranderingen (klankverschuivingen) die zich in een bepaalde tijd en in een bepaald taalgebied voordoen (klankwetten) spoort men in de diachrone taalkunde op en door vergelijkend onderzoek komt men tot de hypothetische oervormen van woorden.
Je ziet meteen, ook wanneer je geen kennis hebt van taalkunde, duidelijke overeenkomsten in de woorden spraak, Sprache, sprog en språk; deze woorden zijn dan ook cognaten, woorden die een etymologische verwantschap hebben (Baker, Don, & Hengeveld, 2013).
Door deze klanken te herleiden is men tot de Proto-Germaanse vorm *spruki gekomen: dit hypothetische woord is de basis van woorden als spreuk, spreken en spraak: woorden die allemaal te maken hebben met oraal taalgebruik (Van der Sijs, 2010).

Etymologiebank.nl leert ons dat sprookje een verkleinwoord is van het woord sproke. Sproke is een woord dat “een Middel-Nederlands [sic] verhaal in verzen” betekent. Als eerste notatie wordt het jaar 1287 aangegeven en het betekent “wat men zegt”. Bijzonder is dat de woorden spreuk en sproke een directe link met elkaar hebben in datzelfde Middelnederlands. Men komt naast sproke ook het woord spreuck tegen, dat naast uitspraak ook verhaal kan betekenen. Volgens het genoemde woordenboek werd de /o/ in het Proto-Germaans uitgesproken als [øː]. In de loop der jaren is men echter de uitspraak naar de spelling gaan vormen en zo komt het dat wij heden ten dage geen spreukje (een kleine spreuk) zeggen, maar sprookje. Deze fonologische verandering heeft dus voor een tweedeling qua betekenis gezorgd.

Dat verkleinwoord sprookje, met als betekenis ‘verzonnen vertelling’ duikt pas weer op in 1610 (Van der Sijs, 2010). Maar een verzonnen vertelling is nog niet per definitie een sprookje zoals wij dat kennen. Wat is er tussen *spruki, sproke en sprookje gebeurd?

In vogelvlucht door de tijd

Sprookjesdeskundige Theo Meder haalt in het boek Van kikvors tot droomprins (2014) een kort tekstje uit een rekeningenboek van de graaf van Holland aan. We schrijven het jaar 1398 als de graaf een spreker uitbetaalt die ‘[…] een sproke sprac over der Vriescher reyse’. Het gaat hier echter niet om een sprookje vol geheimzinnigheid en toverwezens, maar om een gedicht dat een veldtocht van de Hollanders tegen de Friezen beschrijft.
In de late middeleeuwen maken we kennis met de term sprookspreker, waarvan we vooral van Willem van Hildegaersberch weten wat hij zoal vertelde. Meester Willem trok rond en bediende de hoge heren van zijn verhalen. Hij schreef gedichten over actualiteiten en droeg deze voor. Hoewel hij graag ‘de waarheid’ wilde vertellen koos hij er regelmatig voor zijn woorden te voegen naar wat zijn opdrachtgevers wilden, omdat het sprookspreken zijn broodwinning was (Van Oostrom, 1996). Hij verzon zijn verhalen dus zelf, paste ze zo nodig aan en nog altijd was een sproke een ‘gesproken verhaal’, zonder de magische elementen. Het woord sprookje is nog steeds nergens te bekennen.

Na de middeleeuwen begint dit verkleinwoord aan zijn opmars. In eerste instantie puur als een ‘klein verhaaltje’ of ‘een verzinsel’. Fabels als van Reinaert de Vos worden in die tijd gezien als sprookjes, terwijl wij dit type verhaal niet zo zouden definiëren. Ook blijkt het woord vaak een negatieve connotatie te hebben: het woord sprookje is synoniem voor een leugenachtig verhaal. Schrijvers als Bredero en Joost van den Vondel gebruiken het woord sprookje ook enkel in zijn negatieve betekenis: verzinsel, dronkenmanstaal, bakerpraat.  (Meder, Van kikvors tot droomprins., 2014)

En zo belanden we in de negentiende eeuw. Terwijl wij in Nederland nog volop in de verlichting zitten, een tijd waarin er geen ruimte is voor sprookjes, begint in Duitsland de romantiek op te komen. De gebroeders Grimm gingen onder invloed hiervan volksverhalen en sprookjes verzamelen (Meder, Wie waren de gebroeders Grimm, 2018). In 1812 verscheen het eerste deel van Kinder- und Hausmärchen, dat ondanks de titel niet bedoeld was als kinderboek. Het boek nam echter een vlucht en belandde zonder omhaal in de baker- en kinderkamers. Om dit succes te kunnen blijven gebruiken, paste Wilhelm Grimm de verhalen aan, zodat ze geschikt werden geacht voor kinderen. Gruwelijkheden verdwenen en alles wat ook maar naar seks riekte werd zonder pardon verwijderd of veranderd. Hij dikte het wonderbaarlijke aan en veranderde personages. Ook paste hij veel meer directe rede toe en strooide hij in het rond met verkleinwoorden (Van Coillie, 2007).

In Nederland werd deze bundel uitgebracht in 1820 onder de naam Sprookjes-boek voor kinderen (Sprookjes van Moeder de Gans, z.d.), waarmee in onze taal de link tussen de toverachtige volksverhalen en het woord sprookje werd bevestigd. De sprookjes werden echter als te lomp beschouwd en pas nadat een vertaling van de sprookjes van de meer romantische H.C. Andersen aan populariteit won, kwam er weer aandacht voor de sprookjes die de gebroeders Grimm verzameld hadden. Ze werden aan het einde van de negentiende eeuw in een nieuwe vertaling uitgebracht en werden ook hier mateloos populair (Joosen, 2013).

In de twintigste eeuw gaat het snel. In 1937 brengt Disney zijn film Sneeuwwitje uit en in Nederland wordt in 1950 de Efteling opgericht. Zowel Disney als de Efteling baseren zich op de varianten van de Grimms. Sprookjes, zoals wij die nu nog kennen, verankeren zich steeds sterker in ons collectief geheugen.

De moraal van het verhaal

Je kunt stellen dat tot aan de Grimms geen directe link was tussen het woord sprookje en de verhalen die voldoen aan de eerder genoemde kenmerken. Het woord bestond wel, maar pas vanaf de late middeleeuwen en alleen in de betekenis van ‘klein verhaal’ of ‘leugen’. En er werden natuurlijk wel verhalen verteld, maar pas toen men deze verhalen ging opschrijven, ontstonden voorzichtig de eerste verhalen die wij nu als sprookjes betitelen.
De gebroeders Grimm hebben in de negentiende eeuw gezorgd voor een enorme interesse voor dit soort verhalen. Zij hebben er mede door hun aanpassingen voor gezorgd dat sprookjes hun huidige typering kregen, waarna de verhalen vertaald en gebundeld werden in het eerste Sprookjes-Boek voor Kinderen, waardoor de betekenis van het woord sprookje als vanzelf veranderde. In Nederland zijn deze kenmerkende verhalen van de Grimms in ons hart en collectief bewustzijn gegrift, waarna Disney er nog een sausje van zoete vriendelijkheid overheen gegoten heeft.

Wat begon met een korte vraag over een klein woord is een hele reis geworden. Het woord sprookje betekent van origine niets anders dan ‘klein verhaal’ en vindt pas in de negentiende eeuw zijn match qua huidige betekenis. Het woord zelf is van *spruki, via sproke, sprookje geworden, de uitspraak van het basale woord is veranderd en de betekenis is weinig subtiel van leugenachtig verhaaltje overgegaan naar “eenvoudig verhaal waarin bovennatuurlijke wezens optreden, dieren of dingen kunnen spreken” (Sprookje, z.d.-b.).

Gebruikte bronnen

      Baker, A. E., Don, J., & Hengeveld, K. (2013). Taal en Taalwetenschap (Tweede ed.). Chichester: Wiley-Blackwell.

      Joosen, V. (2013, 6 maart). De lezing: Een wetenschappelijke blik op Grimm. (E. Klaphake, Interviewer) Geraadpleegd op 10 augustus 2019, van https://duitslandinstituut.nl/artikel/60/de-lezing-een-wetenschappelijke-blik-op-grimm

     Meder, T. (Red.) (2014). Van kikvors tot droomprins. Hilversum: Verloren B.V.

     Meder, T. (geïnterviewde) (16 augustus 2018). Wie waren de gebroeders Grimm. Dit is Flevoland. Geraadpleegd op 11 augustus 2019, van https://www.omroepflevoland.nl/gemist/radio/163066/wie-waren-de-gebroeders-grimm?id=163066

     Sprookjes van Moeder de Gans. (z.d.). Geraadpleegd op 10 augustus 2019, van Nationale Bibliotheek: https://www.kb.nl/themas/kinderboeken-en-strips/sprookjes-in-de-kb/sprookjes-van-moeder-de-gans

     Sprookje. (z.d.-a.). In Van Dale Online. Geraadpleegd op 17 augustus 2019, van Van Dale: https://www.vandale.nl/gratis-woordenboek/nederlands/betekenis/sprookje#.XVkrSOgzYdU

     Sprookje. (z.d.-b.). In Woorden.org. Geraadpleegd op 28 juni 2019, van woorden.org: http://www.woorden.org/woord/sprookje

     Van Coillie, J. (2007). Leesbeesten en boekenfeesten (volledig herziene ed.). Leuven: Davidsfonds/Infodok.

     Van Oostrom, F. (1996). Het woord van eer. Literatuur aan het Hollandse hof omstreeks 1400. Geraadpleegd op 28 juni 2019, van Digitale bibliotheek der Nederlandse Letteren: https://www.dbnl.org/tekst/oost033woor01_01/oost033woor01_01.pdf

     Van der Sijs, N. (samensteller) (2010). Etymologiebank. Geraadpleegd op 10 augustus 2019, van etymologiebank.nl: http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/spreuk

     Wat is een sprookje? (z.d.). Geraadpleegd op 28 juni 2019, van DOC Volksverhaal: http://www.docvolksverhaal.nl/index.php?option=com_content&view=article&id=19:wat-is-een-sprookje&catid=57:faq&Itemid=28